Venezuela komt met eigen cryptomunt ‘Petro’, maar niemand weet waarom

De Venezolaanse president Nicolás Maduro heeft afgelopen week aangekondigd dat zijn land met een eigen cryptomunt zal komen. De ‘Petro’, zoals de munt zal gaan heten, wordt geïntroduceerd om financiële sancties van de Verenigde Staten te omzeilen. Onduidelijk is echter hoe de munt moet gaan werken en wat de president eigenlijk met de nieuwe munt wil gaan doen.

Op de staatstelevisie liet de president van het socialistische land weten dat de munt steunt op de natuurlijke producten die het land rijk is, zoals olie, gas, goud en diamanten. Op dit moment verkeert het Zuid-Amerikaanse land in een diepe crisis: de nationale munt van Venezuela, de Venezolaanse Bolivar, is gekelderd en de sancties tegen het land door de Verenigde Staten doen het land ook geen goed. Ook de Europese Unie overweegt sancties tegen het land tenzij president Maduro bereid is om te stoppen met zijn onderdrukking van de oppositie en politieke tegenstanders.



Financiële problemen

Door de sancties van de Verenigde Staten is Venezuela, dat lid is van de organisatie van olie-exporterende landen (OPEC), bijna niet in staat om internationale betalingen te doen. De digitale munt zou deze problemen moet oplossen. Maduro heeft echter niet duidelijk gemaakt hoe de digitale munt precies moet gaan werken. Door de financiële crisis in het land zijn veel inwoners onder de armoedegrens terecht gekomen. Veel inwoners zijn het land al ontvlucht en om op de zwarte markt nog aan dollars te komen moet men nu ruim 100.000 bolivars neerleggen. Ter vergelijking: in juli kostte een dollar nog ‘slechts’ 10.000 bolivar. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de grote geldschieter voor staten, gaf aan dat de economie van het land dit jaar met zo’n 12% is gekrompen.

De 21e eeuw

Desondanks denkt Maduro, die door velen wordt gezien als de directe aanstichter van de financiële problemen, hiermee zijn land weer de goede richting in te sturen. Op de staatstelevisie zei hij: “De 21e eeuw is gearriveerd.”

 

Frank Meijer